
Pieterlutje voelde zich op een ochtend erg ziek.
Zijn gezicht was helemaal groen geworden. Net als zijn haren, zijn armen, zelfs zijn puntmuts! En oh, wat voelde hij zich ellendig. Hij was moe, en misselijk, en draaierig, en warm, en koud, en snotterig, en heel erg verdrietig. Nu hij zo ziek was, kon hij niet voor het bos zorgen.
Het nieuws dat het arme kaboutertje ziek was, verspreidde zich razendsnel. Nog voor het middaguur wist ieder dier ervan. Allemaal wilden ze Pieterlutje helpen.
'Oh, maar dit is ernstig.' Hubert, de uil, bekeek Pieterlutje van top tot teen. 'Jij hebt Groenegenen. Tsk, tsk, tsk.' Hij schudde zijn hoofd. Al zijn veren dansten op en neer.
'Er is maar één geneesmiddel: alle magie van het bos.' Iedereen keek Hubert angstig aan. Alle magie van het bos... wat zou er dan gebeuren?
Pieterlutje keek Hubert aan. 'Nee. Ik wil niet dat het bos door mij haar magie verliest.'
